Het ontstaan van BaZtille Ateliers Juni 2005 / Robert Verhaaf
Een verhaal over allerhande ontwikkelingen die ertoe hebben geleid dat een idee werkelijkheid kon worden.
Het bestaan van de beeldende kunstenaar is in sterke mate afhankelijk van een werkplek, zeg maar atelier, alwaar hij/zij zich kan onttrekken aan al wat “ in die andere werkelijkheid “ zich afspeelt. Een ruimte waar je, je los kunt voelen. Populair gezegd een vorm van vrijheid beleven. Tegelijkertijd eist die ruimte iets van je. Het maken van beelden, in de ruime zin van het woord.
Een atelier verwerven is een bezigheid op zich. Of je nu in één van de grote steden woont of in een middelgrote stad. Bepalend is of de betreffende Gemeente een beleid gestalte geeft, voor die categorie mensen ( kunstenaars ) die ‘ door de bank genomen ‘ in iedere stad wonen en willen werken. Zijn er, criteria te noemen, die zowel voor de kunstenaar als voor bijvoorbeeld een Gemeente, geldend zijn voor wat betreft de definitie van een atelier.
De ervaring leert dat het uiteindelijk ver uiteen ligt. De oorzaak die daar, naar mijn idee, aan ten grondslag ligt is geld. En vooral de wijze waarop dat verworven moet/kan worden. Leven in een tijd waar bijna ieder begrip een vertaling heeft naar een economische eenheid. Zo ook het verwerven van een atelier.
Omdat het kunnen ‘ bestaan ‘ van de opbrengst van beeldende kunst slechts voor een gering gezelschap is weggelegd, vormt dat veelal een basis voor strijd, voor hen die zich desondanks in dit metier willen manifesteren. Velen uit de samenleving hebben een vaag vermoeden dat zo’n bestaan in financieel opzicht mager is.
Het bedrijven van kunst, dat gezien kan worden als het vervaardigen van een product, is er de gedachte dat uit de inkomsten van verkoop van dat product ook kosten bestreden kunnen worden. Het is bijna net als in een ‘ echt ‘ bedrijf. Het verschil zit hem echter in het feit dat kunstenaars in wezen geen product maken. Een product in die zin, dat je produceert, anders gezegd ‘ dingen ‘ maakt die vanuit een herhalend productieproces een zelfde ‘ ding ‘ opleveren. De kunstenaar zal hooguit, vanuit de thematiek die in zijn of haar werk speelt, vergelijkbare producten maken. Het zal zelden, misschien nooit, een zelfde werk zijn. Juist dit gegeven is het kwetsbare in het bestaan van de kunstenaar. Een reclamecampagne voeren voor iets wat niet hetzelfde is spreekt de mensen niet aan. We willen allemaal in eenzelfde ‘Audi’ kunnen rijden. Daarmee kan een ieder aan de buitenwereld laten zien wat haar of zijn status is. Dat maakt het ook zo moeilijk om juist die andersdenkende te overtuigen van het feit dat de wereld van de beeldende kunstenaar anders ‘ werkt ‘. De wisselvalligheid die geldt bij de verkoop van kunstwerken is regel.
Dit inleidende betoog is nodig om in beeld te krijgen waar enkelen mee te maken hadden bij het realiseren van BaZtille. Ruim anderhalf jaar praten was nodig. Praten, vooral een weg zoeken, om de andersdenkenden te overtuigen van de noodzakelijkheid van het hebben van atelierruimten in een Gemeente. In een Gemeente die allerhande pogingen doet in de race naar landelijke erkenning van ‘ belangrijke groeistad met economische perspectieven ‘. De beeldende kunstenaars worden niet gezien als een belangrijke schakel in dit groeiproces. Eerder als een hinderlijke groepering die veel rotzooi om zich heen creëert. En welk bedrijf wil in haar omgeving een bevuiler. Dat doet afbreuk aan het prestige. Dus waar laat je ze ? In meerdere steden is het gebruikelijke beleid om kunstenaars in zgn. kraakpanden onder te brengen. Dat is handig, om echte krakers te weren. Het is tijdelijk, dan valt het dus te gedogen.
In de Gemeente Zoetermeer zijn ruim zestig personen geregistreerd, als beeldend kunstenaar (1999). Er zijn er die thuis een ruimte hebben ingericht als atelier. En een deel van de kunstenaars zoekt het buitenshuis. Zoetermeer heeft vele jaren panden gebruikt voor tijdelijke ateliers. De meest bekende waren Stationsstraat, Van Leeuwenhoeklaan & Meidoornlaan. Dit laatste adres, aanvankelijk een school later Bibliotheek Dorp, werd gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Het pand aan de Van Leeuwenhoeklaan ( voorheen stadhuis ) ook gesloopt.
De kunstenaars die werkten op de Meidoornlaan kregen deze gelegenheid door inspanning van de Kunststichting Zoetermeer. De opzet en inrichting van het gebouw daar was dat de ateliers een open karakter hadden. Een bijzonderheid was dat in het hele pand vloerbedekking lag, die niet bevuild mocht worden. Ook al wist een ieder dat dit pand tegen de vlakte ging, inclusief de vloerbedekking. Dit pand was ‘ om niet ‘ in beheer gegeven aan Kunststichting Zoetermeer, wel moesten de kunstenaars betalen voor gas/licht/water. De staat van onderhoud van het pand was slecht. Lekkages werden provisorisch verholpen. Geen afsluitbare ‘ eigen ‘ ateliers. Tot het moment dat Ria van Dijk zich eveneens in dit pand vestigde. Er kwamen scheidingswanden en een einde aan de open communicatie.
Menige vergadering met kunstenaars heeft in dit pand plaatsgevonden, maar ook Open Atelierdagen. Wie hebben daar zoal gewerkt: Wietske Boutz, Laurens van Herpt, Frans de Jong, Ramesh Darji, Cor Nauta, Wim van As, Marja Milo, Ben van Viegen, Jurgen Klaassen. Ook Ruben Sarto is wel eens een keer geweest. En niet te vergeten Ria van Dijk. Ook Mons kwam er wel eens kijken. Ook die jongen met z’n theorieën en de door hem bedachte doosjes, Richard vd Heijden.
Eén echte tentoonstelling heeft er plaats gevonden, in het kader van de stedenband tussen Zoetermeer en Nitra. In het pand werd een wand geplaatst om kunstwerken aan te kunnen ophangen.
De contactpersoon bij de Gemeente, Annemiek de Groot, beheerster van panden met een culturele bestemming, stapte ook wel eens binnen. Ook op het moment om te melden dat het verblijf ophield te bestaan.
Dat was ook het moment om haar aan te spreken over de Leeuwenhoeklaan en of we daar gebruik van konden gaan maken. Een nogal groot pand, best plaats biedend aan misschien wel zestig kunstenaars. Maar dat was een te eng idee, voor sommige, binnen de Gemeente. Na nogal wat ‘ vijven en zessen ‘, kon bij hoge uitzondering gebruik gemaakt gaan worden van de begane grond in dat pand. En wat troffen we aan. Ja, we, want na de onderhandelingen kwamen de mensen met hun wensen.
De Kunststichting, lag grotendeels op haar gat, en was geen partij. Op grond van de goede verstandhouding en de goede ervaringen durfde de Gemeente het uiteindelijk toch wel aan. In het gebouw was het een ongelooflijke rotzooi. Alsof de ambtenarij spoorslags was vertrokken, achterlatend: archiefkasten ( gevuld met ordners ), tafels en stoelen in overvloed, en ook tekentafels. En daarnaast troffen we op de andere etages een enorme ravage aan. Later is een schoonmaakbedrijf met zeven personen een week lang bezig geweest al die zooi op te ruimen.
Wederom kregen de kunstenaars een individuele overeenkomst op basis van ‘ anti-kraak ‘. Ook nu was de toezegging dat het hooguit voor een jaar of drie zou gelden.
Het was een kantoorpand, kortom: lage plafonds en over het algemeen kleine ruimten, ongeveer een 35m2 gemiddeld. Alleen Frans de Jong, kon zich niet verenigen met de gedachte in zo’n kippenhok te moeten werken. Hij verbleef met instemming van een ambtenaar op de eerste etage. Hij had de beschikking over een atelier met een oppervlakte van meer dan tweehonderd vierkante meter.
Behalve ateliers, konden we de voormalige kantine gebruiken als expositieruimte. Wie waren de bewoners cq. gebruikers. Waaronder enkele ‘ oud-gedienden ‘ van de Meidoornlaan, zoals Frans de Jong, Marja Milo, Ria van Dijk, Cor Nauta & Wim van As. En nieuw: Ina van Dijk die wegging en weer terugkwam, Mieke Fabery de Jonge, Marijke Lamboo, Jaap van der Gaarden, Vereniging Terra Kunstprojecten, die het atelier deels afstond, eerst aan Ben van Viegen en later aan Andries Mons. We noemden ons, min of meer op verzoek van de Gemeente, het Van Leewenhoekkollektief.
Op de Meidoornlaan maakten we nog kennis met de nieuwe wethouder Andries Heidema, die de komende jaren een belangrijke rol zou spelen bij het verwerven van nieuwe ateliers. In de periode van de Leeuwenhoeklaan, werd een nieuw initiatief geboren. Om de afstand tussen politiek/ambtenarij tov het beeldende kunstenveld te overbruggen en verkleinen werden de zgn. rondetafelgesprekken ingevoerd. Deze vonden plaats in het stadhuis.
Vanuit verschillende groeperingen was er een vertegenwoordiging. Gemiddeld eens in de zes weken vond overleg plaats met de wethouder. Dit forum was de plek om wensen en plannen kenbaar te maken. Vanuit het veld was er Ed Boutkan voor Terra & de heer Capeijne van de Copollo namens Kunststichting, Marus vd Made, Marjon Cordes voor de Londenstraat ateliers, Jan Groeneveld voor St. Hike en St. Kleurrijk Zoetermeer, Ina van Dijk voor Leeuwenhoek samen met Robert Verhaaf. Van de Gemeente was er meestal Ellen Stammeijer of Carla Deelstra.
Een van de onderwerpen van Verhaaf was steevast het verwerven van ateliers. Om een aantrekkende werking te hebben naar het publiek mbt het aanbieden van beeldende kunst, is dat er eerst een basis dient te zijn. Dáár waar kunstenaars willen en kunnen werken, zal uiteindelijk ook een situatie kunnen ontstaan voor galerieën en andersoortige expositieruimte.
In deze zelfde periode speelde het samengaan van Muziekschool, Vrije Academie, Wazoem. Het CKC, Centrum voor Kunst & Cultuur, nog een initiatief van wethouder Koos Meulenkamp, zou nu ten uitvoer worden gebracht. Mijn besprekingen met Andries Heidema hadden er in geresulteerd dat in dat gebouw ook een professionele tentoonstellingsruimte zou komen. Dit als compensatie voor het wegvallen van de expositieruimte op de Van leeuwenhoeklaan. Het gewone glazen dak van het CKC zou zelfs gewijzigd worden in een transparante versie. En ook de vloer zou aangepast worden. Wat het uiteindelijk werd valt nog steeds te betreuren. Na oplevering bleek spoedig dat die ruimte niet de gewenste toevoeging zou zijn. Te warm, en toch een gewoon glazen dak van helder glas. Er werd besloten om alsnog door het architectenbureau een onderzoek te doen en een begroting te maken voor aanpassingen. Die bleken uiteindelijk ruim boven de 3,5 ton uit te komen ( in guldens ). Het werd dus niets.
Omdat in zicht kwam dat de kunstenaars niet al te lang meer konden rekenen op een verblijf aan de Van Leeuwenhoeklaan, was onderzoeken nodig. Al fietsend kwam Verhaaf uit op de Rokkeveenseweg. Een soort industrieterrein, waar ook een waterzuiveringsinstallatie en een pompstation gelegen zijn. Maar ook een loods. Een beetje naargeestig gebouw. Het terrein gaf een nogal verlaten indruk. Mijn nieuwsgierigheid leidde mij rondom het gebouw. Het stond grotendeels leeg. Er stonden drakenboten, caravans en enkele oude auto’s en een camper. Omdat je makkelijk door de overhead deuren naar binnen kon kijken, zag je ook veel rommel. Het gebouw was niet helemaal in onbruik. Het bleek dat er nog enkele ambtenaren van de metaalafdeling werkten. Even naar binnen. Ze vertelden dat ook zij binnenkort hier zouden vertrekken. De Gemeente had in het kader van decentraliseren een nieuwe werkplaats betrokken aan de Industrieweg. Wanneer alle voorzieningen daar aanwezig zouden zijn, zou het gebouw aan de Rokkeveenseweg leeg komen te staan.
Maar, dit is het. Met Annemiek de Groot werd contact opgenomen. Tijdens de rondetafelgesprekken met Andries Heidema werd het voorstel gedaan om het gebouw te willen kopen. Het duurde ruim drie maanden voordat er antwoord kwam. Niet mogelijk. Er kleefde teveel bezwaren aan. Het gebied waar dit gebouw stond zou herzien worden. Bovendien zou de Provincie een plan hebben om uitbreiding te geven aan de A12. Teleurgesteld, oké, maar huren ? Wederom gingen er weer maanden overheen. En één van de meest kenmerkende uitspraken in die tijd van wethouder Andries Heidema, “ ik sta er niet achter “. Het einde van de Leeuwenhoeklaan kwam in zicht en er was nog geen alternatief.
Het was in het najaar van 1999, dat Terra haar vijfjarig jubileum wilde vieren met een grote tentoonstelling op de Van Leeuwenhoeklaan. Het zou geopend worden door burgemeester Van Leeuwen. Omdat we bij Andries Heidema geen poot aan de grond kregen werd een ander plan bedacht. Een boekje met daarin foto’s van de Rokkeveenseweg en foto’s van de beginnende sloop van de Van Leeuwenhoeklaan !! En de belangrijke uitspraak van Wim Quist, in het museum van Ruimtelijke Manuscripten opgenomen. “ Wat blijft komt nooit terug “. Dit boekje overhandigde Verhaaf aan Luigi van Leeuwen bij zijn vertrek na de opening van Terra. Hij zei nog, bij het verlaten van het gebouw, ik bel je volgende week.
En ja, dat gebeurde. Er zou een gesprek plaatsvinden tussen de wethouders Andries Heidema en Jo Fijen en met Luigi van Leeuwen. De conclusie van Luigi van Leeuwen was kort. We gaan het plan van Verhaaf uitvoeren. Het klonk zo simpel. Er moest nog heel wat gebeuren. Het was begin 2000.
De toezegging was al voldoende. En geen individuele overeenkomsten tussen kunstenaars en Gemeente. Een stichting. Een autonome instantie, die het beheer zou gaan voeren. Maar op wat voor basis zou de overeenkomst tussen die Stichting met de Gemeente gesloten gaan worden ? Het was nog niet duidelijk of het toch een officiële huurovereenkomst zou worden. Tijdens één van de laatste rondetafelgesprekken in de kamer van Andries Heidema zelf, werd het duidelijk. Ook deze ruimte zou ‘ om niet ‘ ter beschikking komen.
Nadien werd er verder onderhandeld met Wim Verkerk, beleidsambtenaar Cultuur en Annemiek de Groot. Echter, vanaf eind april t/m augustus 2000 zou Verhaaf in Spanje in een gastatelier gaan werken. Vlak voordat hij vertrok was er toch weer een kink in de kabel. Opeens wilde de Gemeente dat het gebouw ook ter beschikking zou komen voor een theatergezelschap ! De groep Greg & Baud. En daarnaast was er de idee om ook nog een werkplaats ter beschikking te stellen aan een groepering die kinderspeelgoed wilde maken. Balen. Vanuit Spanje werd een nogal heftige brief aan Wim Verkerk geschreven. Het gebouw zou ter beschikking komen van beeldende kunstenaars. Dat gebeurde dus uiteindelijk. In Spanje had Verhaaf de tekening van het gebouw tot zijn beschikking. Kortom, bijna alles wat er nodig was voor het bouwen van veertien ateliers, stond op papier, toen Verhaaf terugkeerde naar Nederland.
De Stichting was al een feit. Genaamd Stichting Atelierbeheer Zoetermeer en omgeving. Een informatieavond over de nieuwe locatie Rokkeveenseweg 46 voor alle Zoetermeerse kunstenaars stond gepland. Eerst nog op de Van Leeuwenhoeklaan, bovenste etage. Ook voor mij nieuwe gezichten waren daar bij aanwezig.
En dan, vervolgens een eerste kennismaking met het gebouw door eventueel toekomstige gebruikers. Er waren kunstenaars die het gebouw te groot vonden, de locatie ( naast de gevangenis ) als onprettig ervoeren, zo afgelegen etc. Het gebouw had een beperkte indeling, hoe moest je daar nou ateliers in realiseren ? En het zag er afzichtelijk uit. Wat ook een belangrijk bezwaar van enkele kunstenaars was, bestond eruit dat de verblijfsperiode voor velen te onzeker bleek. De Gemeente stelde het gebouw ‘ tijdelijk ‘ ter beschikking. Ongeveer voor een jaar of zeven. Dat was afhankelijk van de definitieve plannen van de Provincie.
Voor mij allemaal geen bezwaren. Het gebouw had zelfs al een bepaalde historie. Het karkas had eerder dienst gedaan als winkelpand in het toenmalige Winkelcentrum Soeterweijde, een tijdelijk winkelcentrum. We zouden in het voormalige HEMA-gebouw gaan werken.
Om in dit gebouw ateliers te realiseren moest de kwestie ‘ geld ‘ nog afgerond worden. De Gemeente had bij monde van Wim Verkerk in een pril stadium al toegezegd dat er mogelijk Fl. 25.000,- beschikbaar zou zijn. Het was niet veel, maar meer dan niks. En de kunstenaars, ja die hebben geen geld. Wel inzet en zin om deze droom tot werkelijkheid te maken.
Tijdens de eerdere ronde tafelgesprekken was ook ter sprake gekomen om de oude school in de Dorpsstraat als ateliergebouw te gaan benutten. Daar was door de Gemeente al een begroting voor opgesteld. Dat plan ging opeens toch niet door, omdat Stichting Ibse met de Gemeente een akkoord had gesloten om de begane grond van die school geheel als restaurant te gaan gebruiken.
In een later stadium werd besloten om dan alleen op de eerste etage van de oude school ateliers te bouwen. Daar zijn vijf ateliers gerealiseerd. Omdat er aanvankelijk een reservering van
Fl. 300.000,- voor het gehele gebouw was begroot, kon een deel van dat bedrag aangewend worden voor de Rokkeveenseweg. Het bedrag dat aan Stichting S.A.Z. werd toegezegd bedroeg Fl. 75.000,-. Een deel daarvan moest over een periode van vijf jaar worden terugbetaald. Er was een kapitaal om van start te gaan.
Deze afspraken die tot stand waren gekomen was door toedoen van Anneke van Berlo, voorzitter van de stichting, Wim Verkerk van de Gemeente en Robert Verhaaf. Af en toe is het er heftig aan toe gegaan op het stadhuis. Maar we wilden aan de slag gaan. Wij wilde een sleutel van het gebouw. Het moment dat, dat gebeurde was 2 december 2000.
Wie zouden er definitief als kunstenaar het gebouw gaan betrekken. Dat heeft niet zo heel veel voeten in de aarde gehad. Na die eerste informatieavond op de Leeuwenhoeklaan waren de volgende personen in beeld: Ina van Dijk, Jaap vd Gaarden, Marijke Wijgerinck, Hans Feij, Jeroen Verheugd samen met Veronique Vaessen, Frans de Jong, Hortense de Kooter, Andries Mons samen met Peter Bras, Perry van Amstel, Marja Milo, Jose Koebrugge en Ien Dobbelaar, en ikzelf.
De Gemeente wilde graag een vinger in de pap ten aanzien van de toewijzing van ateliers, maar er was een autonome stichting. De wethouder was bang dat er teveel aan vriendjespolitiek zou worden gedaan. De wethouder wilde dat de initiatiefnemer en oprichter van de stichting na ingebruikname niet in het bestuur zou blijven. Er kleefden nog meerdere bezwaren aan enkele gebruikers, het feit dat T. van Zeijl in het gebouw een ruimte zou krijgen. Dat was een bedrijf dat te boek stond als commercieel en geen kunstenaar. Maar zijn verblijf kon gerechtvaardigd worden omdat het slechts tijdelijk van aard was en voor ongeveer twee jaar. Van Zeijl V.O.F. was doende om de Nicolaasschool in Zoetermeer te verwerven. Maar hij moest al wel weg uit het ‘ startercentrum voor vrouwen ‘ aan de Vijverhoek, nog voordat hij het Nicolaasgebouw ‘ rond ‘ had. Hij moest daar weg omdat hij de periode van vijf jaar er al had opzitten. En er was geen alternatief !, wel kende hij Robert Verhaaf, en heeft gevraagd of hij tijdelijk in het gebouw kon. Daarnaast moest er ook een oplossing gevonden worden voor de zeefdrukkerij van Wout van der Vet, deze moest weg uit de voormalige bibliotheekruimte in Meerzicht en het gebouw in de Dorpsstraat ( voorheen Garage Bos ) was nog niet rond. De Gemeente kon er ( schoorvoetend ) mee instemmen.
Een eerste avond om de plannen en tekeningen die in Spanje wa opgesteld te bespreken met de kandidaten vond plaats in de kantine van de Rokkeveenseweg, wat later het atelier werd van Ina van Dijk. Op deze avond werd ook de naam geboren voor het complex. De naam kwam uit de monden van Peter Bras en Andries Mons. We doopten ons tot BaZtille, ateliercomplex. De oppervlakte, rond de 1200m2, zou ruimte bieden aan veertien ateliers, een werkplaats en een mogelijkheid voor exposeren.
In de tekeningen en plannen was er van uitgegaan om naast ateliers ook ruimte te bieden aan externe kunstenaars, waarvoor een zgn. centrale werkplaats zou komen. Ook een ruimte voor een gastkunstenaar. En de opzet van de ateliers was zodanig dat er ruimte ontstond om in de gangen te kunnen exposeren. De consequentie daarvan was dat ook de bestemming op het gebouw aangepast moest worden. Dat gebeurde in het weekend van 5 december 2000, een vergunning voor het gehele terrein en de gebouwen !!
Alvorens overgegaan kon worden tot bouw, was opruimen onvermijdelijk. De afspraak met de Gemeente dat het gebouw leeg zou worden overgedragen was niet nagekomen. En om al gelijk weer op de achterste benen te gaan staan leek niet wenselijk. En dat er veel rotzooi was, ja zelfs ongelooflijk veel, resulteerde in zesentwintig containers afval, en allen ruim gevuld.
Nog voordat de eigenlijke bouw begon, is een laminaatvloer gelegd in de centrale werkplaats, rond de 130m2. De tijdelijke zeefdrukkerij van Wout moest toch wel enigszins stofvrij blijven.
Eén atelier was eigenlijk gelijk al klaar, de kantine werd direct door Ina van Dijk in gebruik genomen. De eerste stappen, het eerste muurtje, was een mooi moment. Bouwervaring had niemand. Maar bij de start was er de hulp van Rob Dijkstra, een vriend. De eerste deur en muur kwamen door zijn inzicht en toedoen tot stand. Het was winter, de zon scheen af en toe. En er werd genoten.
|